CRBD
1. Stripgeschiedenis van Europa

1.01 Voorlopers 1800 - 1844
De uitvinding van de drukpers in 1440 door Johannes Guttenberg (1394 - 1468) te Mainz maakte het mogelijk dat er volks- en kindersprenten (ookwel stuiver- of centsprenten) in hoogdruk werden gemaakt en op grote schaal werden verspreid.  De oorspronkelijke prent als zelfstandige afbeelding ontwikkelde zich in enkele tientallen jaren tot pagina's met meerdere afbeeldingen met steeds meer vormkenmerken van het beeldverhaal.Teksten in de afbeelding zelf kwamen al vroeg voor vanaf de  middeleeuwse manuscripten, zelfs kan men spreken van een tekstballoon.
In de 18e eeuw waren de volksprenten vooral bedoeld voor een volwassen publiek en hadden vooral politieke en maatschappelijke satire als onderwerp.
Prentkunstenaars uit deze tijd zijn William Hogarth, Isaac Cruikshank, James Gillray en Thomas Rowlandson. De Prenten van William Hogarth hekelen vooral de sociale misstanden, het werk van James Gillray is meer politiek gericht, evenals de prenten van Rowlandson. Het werk van Cruikshank laat veelal politieke karikaturen zien.




















De eerste helft van de negentiende eeuw is een periode met opstanden, revoluties en maatschappelijke veranderingen, waarin de burgerij steeds meer macht naar zich toe trok. De Spectrum Tijdlijn geeft veel inzicht in geschiedkundige perioden, en metmuseum in kunstgeschiedenis.

Vanaf 1817 werden volksprenten voornamelijk gemaakt in Vlaanderen door de firma Brepols te Turnhout, met in de schaduw firma's als Wellers-Delhuvenne, Glénisson & Van Genechten en Beermans.
Volksprenten zijn oorspronkelijk voorzien van een korte tekst onder de afbeelding, in de loop der tijd werd de tekst steeds uitgebreider  en ontwikkelden zich tot tekstblokken. Tekstblokken op rijm in een aabbcc rijmvorm waren veel voorkomend en waren niet meer dan een afspiegeling van de visuele afbeelding, zoals het geval is bij mannekensbladen, bilderbogen, imagerie d'epinal en picture sheets.


















Waarschijnlijk is de eerste nederlandse strip afkomstig van de letterkundige Willem Bilderdijk. Het prentenboekje "Hanenpoot" (1808) tekende hij voor zijn zoontje Julius en daarin zijn tekst en tekening geintegreerd, lijkend op een hedendaags stripverhaal. Deze trend is op kleine schaal vaker terug te herkennen, zoals ook het in 1827 getekende verhaal van de zwitser  Rodolphe Töpffer "Monsieur Vieuxbois"  en in 1829 "Le docteur Festus". Ook in 1829 werd ook de hoogdruksnelpers in gebruik genomen. Op kleine schaal verspreidde Töpffer het getekende verhaal "Monsieur Jabot" onder familie en vrienden, tot zijn doorbraak kwam met "Les Avontures de Monsieur Cryptogame" met de publicatie in 1845 in het franse tijdschrift " l'ilustration".
Met deze uitgave wordt Rodolphe Töpffer algemeen beschouw als de vader van het europese stripverhaal.





















1.02 Pioniers (1845 - 1899)
In de negentiende eeuw voltrok zich de industrieële revolutie waarbij arbeiders dagelijks lange uren het tempo van de stoommachines bij moesten benen, maar waarbij ook technische ontwikkelingen grote veranderingen brachten in het maatschappelijke leven, zoals de stoomboot, de stoomstrein en industrieele stoommachines. De machinale vervaardiging van kranten sinds 1814 (The Times)  met een stoompers, resulteerde in het positieve effect dat steeds meer mensen leerden lezen. Het maatschappelijk en politieke denken veranderde: er was een grote behoefte aan informatie, het liberalisme floreerde en de vrijheid van drukpers werd vastgelegd, de burgerij groeide uit tot een vooruitstrevende kapitalistische klasse.





















Een vroege pionier van het stripverhaal was ook Wilhelm Busch (1829 - 1908), de auteur en tekenaar van de "Bilderbogen". Waarschijnlijk vond hij zijn inspiratie bij Rodolphe Töpffer, maar zijn meest bekende werk "Max und Moritz" (1865) geïntroduceerd door duitse emigranten in de VS, werd weer een inspiratie bron  voor de laat negentiende eeuwse stripauteurs Harold Knerr en Rudolf Dirks. Busch publiceerde zijn werk in het tijdschrift Fliegende Blätter.De visie van Wilhelm Busch stond in tegenspraak met het actuele liberale vertrouwen in die tijd over de primaire goedheid en opvoedbaarheid van de mens, en de het vertrouwen in het politieke gezag. Thema's in zijn werk zijn de strijd van zwakken tegen de sterken, en kinderen die volwassenen een hak zetten. Busch was geen persoon die klakkeloos de algemene opinie volgde, maar juist een aanhager was van maatschappelijk verguisde opvattingen zoals het Darwinisme.
De strip bleek een geschikt medium te zijn voor satire, in Frankrijk tekende Gustav Doré een satire op de pogingen tot imperialistische machtsuitbreiding  van Rusland  (1854 Histoire pittoresque, dramatique et caricaturale de la Sainte Russie, of History of Holy Russia). Ook Doré , bekend van hoogdruk illustraties van de Bijbel - de Fabels van La Fontaine en Don Quichote was in zijn begin jaren zeer beïnvloed door Töpffer. Het stripverhaal kreeg politieke betekenis en de overheid koos al snel voor censuur maatregelen tegen dit nieuwe medium.

De Fransman Caran d'Ache stond bekend om zijn politieke prenten. Het pseudoniem voor Emmanuel Poiré ( Moskou, 1859 - 1909) betekent potlood in het russisch. Sinds zijn emigratie naar Frankrijk in 1877 was hij een politiek cartoonist. Zijn eerste publicaties van militaire karikaturen verschenen in "Le Chronique Parisienne" (1880). Samen met Fourain begon Caran d'Ache in 1898 het tijdschrift "Pssst...!", waarvan 85 nummers vol cartoons verschenen. Zijn thema's zijn overtuigd antisemitisme en verheerlijking van het nationale leger. Zijn meest bekende politieke cartoon is The Dreyfus Affair (1899 naar aanleiding van het krantenartikel  J'Accuse door Emile Zola), een spionage conflict in de frans-duitse oorlog van de derde republiek (1870 - 1914). In 1892 verscheen zijn eerste stripalbum "Carnet de Cheques" over de Panamakanaal affaire, het eerste mislukte project om het Panamakanaal te graven door Ferdinand Lesseps van 1881 - 1889, de bouwonderneming ging failliet omdat er zoveel arbeiders stierven aan malaria.
Vanaf 1895 publiceerde Caran d'Ache zijn cartoons in  Lundi du Figaro, Le Rire en Chat Noir.























Andere bekende illustratoren uit de negentiende eeuw zijn Theophile Alexandre Steinlen (1859 - 1923)  en Adolph Wilette (1857 - 1926).
Wilette werd geboren in Chalons-sur-Marne als zoon van een militair. Hij publiceerde in het tijdschrift La Libre Parole illustrée  van Edouard Drumont, helaas ook met een antisemitische inslag. Hij is vooral bekend geworden van "Pierrot et Colombine".














Met als achtergrond de Wereldtentoonstelling te Parijs ( Expo 1889) maakte Christophe (speudoniem voor George Colomb 1856 - 1945)  in 1889 het stripverhaal "La famille Fenouillard à l'Exposition". Andere getekende verhalen van Christophe zijn: Les Facéties du Sapeur Camember (1890),  l'Idée fixe du Savant Cosinus (1893) en Les Malices de Plick et Plock (1894).
























In het midden van de 19e eeuw verschenen er in Groot-Brittannië satirische Britse tijdschriften met cartoons, zoals Punch (1841), Funny Folks (1874), Puck (1876), Ally Sloper's Half Holiday ookwel Ally Sloper (1884), Comic  Cuts (1890), The illustrated Chips (1890), Butterfly (1904-1940). Deze tijdschriften (zie ookThe illustrated Word) bedoeld voor een groot publiek, richtte zich op ontsnappingslectuur en humor. De "comics" in deze moppenbladen waren erg populair, samen met de populariteit van de stuiverroman (Dime novel) waren deze bladen een wegbereider voor het moderne stripverhaal. De geschiedenis van de Britse Comics (Comics UK) is van grote invloed geweest op de ontwikkeling tot de moderne strip.
Cartoons werden voor het eerst omstreden met de oprichting in 1841 van het satirische blad Punch (zie ook Il mondo di Punch - neuromix  en wikipedia) . Dat blad introduceerde twee jaar later ook het woord ‘cartoon’ als humoristische spotprent. Een bekende illustrator in Punch is John Leech. Punch werd fel bekritiseerd vanwege de stereotypering van de Ieren - hoge vilten hoed, kniebroeken en een varken onder de arm. De kerk werd niet gespaard. De Britse predikanten werden immers afgebeeld als dik, lui en lankmoedig.

























Funny Folks (1874 - 1894) wordt beschouwd als het eerste striptijdschrift. Het begon als een 8 pagina's grote uitneembare bijlage in zwart-wit van het weekblad Weekly Budget. Door het grote succes maakte uitgever James Henderson de bijlage tot een zelfstandige uitgave. Al snel volgden andere uitgevers bv. met "Ally Sloper".
Het comicmagazine "Ally Sloper's Half Holliday" verscheen in 1884 en was het eerste striptijdschrift genoemd naar een vaste hoofdpersoon. In zijn tijd was Ally Sloper een zeer populaire antiheld. De figuur was gecreëerd door Charles Henry Ross en werd al eerder gepubliceerd in het tijdschrift Judy (1867); maar zijn echtgenote nam de figuur later over en tekende en schreef onder het synoniem Marie Duval (ps van Emilie de Tessier). De toevoeging "Half Holliday" in de titel duidt op de halve vrije dag op de zaterdagmiddag, waarop football werd gespeeld in de UK.
Chips verscheen in 1890 en daarin werd de strip "Weary Willy and Tired Tim" gepubliceerd (1896 - 1953) van de tekenaar Tom Browne. Deze strip heeft de trend gezet voor een engelse stijl.

1.02 Infantilisatie 1900 - 1909.
Ondanks de succesvolle ontwikkeling van politieke spotprenten en kinderprenten werden stripverhalen rondom de eeuwwisseling niet serieus genomen. Uitgevers gingen zich steeds meer op kinderen richten, waarschijnlijk omdat zij de mogelijkheden voor expressie via het stripverhaal onderschatten; maar ook vanwege de morele en tevens hypocriete boodschap van de strips in die tijd. Infantilisatie van de strip stond in nederland ook onder invloed van de Maatschappij tot nut van 't Algemeen, die vanaf 1800 al nutsprenten verspreidden met de bedoeling om door onderwijs de burgers uit de lagere klassen te verheffen tot deugdzame burgers. Volkskunst werd daardoor vervangen door verfijnde natuurgetrouwe schooltekeningen, met een saaie uitstraling. Onder invloed van de industrialisatie ontwikkelde zich rond de eeuwwisseling een massacultuur uit de volkscultuur, terwijl zich binnen de elite een burgerlijke cultuur ontwikkelde door de toenadering tot de volkscultuur.De elite probeerde binnen deze burgerlijke cultuur  de arbeiders te onderwijzen volgens de geldende christelijke opvattingen van deze elite, daarmee hebben zij een democratiseringsproces en educatieproces op gang gebracht. Deze modernisering van de cultuur vergrootte aanvankelijk de kloof tussen de verschillende lagen van de bevolking (zie: moderniteit als uitdaging voor de literatuurschiedenis). Deze ontwikkeling kan geleid hebben tot infantilisering van het stripverhaal, doordat de burgelijke cultuur door grote krantenconcerns verspreid werd.
Comic book Reference Bibliographic Datafile
The Dreyfus Affair (Caran d'Ache 1899)
LINKS
Promis'd horrors of the French invasion
           (1796 James Gillray)
Hanenpoot (Willem Bilderdijk 1808)
Ms. Cryptogame (Töpffer)
Max und Moritz - Streich zwei (Wilhelm Busch)
La Famille Fenouillard (Christophe)
Pierrot et Colombine (A. Wilette)
Funny Folks volume 12 (1874 - 1994)
Stripgeschiedenis Europa
Home